logo

Historie

Historische geografie van de Over-Betuwe

De vorming van de Over-Betuwe is sterk afhankelijk geweest van de rivier de Rijn. Deze heeft in de afgelopen 10.000 jaar verschillende lopen gehad. Het verschil tussen hoog (droge, zavelige stroomruggen) en laag (natte kommen met zware klei) is essentieel geweest bij de vorming van het gebied.

Op de hoger gelegen gronden – de stroomruggen, donken (pleistocene rivierduinen) en opgeworpen wuurden – vestigde de mens zich al lang voor de jaartelling. Het begin van een meer permanente bewoning dateert mogelijk al uit de vroege prehistorie en zeker uit de ijzertijd, circa 700 vóór Chr. tot 15 vóór Chr. De lager gelegen komgronden werden vooral gebruikt als weidegebied voor het vee.

Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen

In de Romeinse tijd werd het rivierengebied door zijn strategische ligging langs de grens van het Romeinse Rijk steeds belangrijker. Dit had tot gevolg dat de bevolking toenam. Rond het einde van de derde eeuw liep de bevolkingsdichtheid terug. Dit is onder meer te wijten aan de onstabiele positie waarin het Romeinse Rijk zich toen bevond. In de Vroege Middeleeuwen neemt de bevolking weer in aantal toe. De nederzettingen uit deze periode liggen op de hoger gelegen gronden en vormen de basis voor de ons nu bekende plaatsen.

Stroomruggen in het huidige gebied

In Park Lingezegen zijn de stroomruggen duidelijk terug te vinden. Een eerste stroomrug bevindt zich in het westen van het park, globaal tussen de spoorlijn en de Grote Molenstraat. Hier ligt een restant van een oude stroomgeul van de Rijn: de ‘Olde Rien’. Het landschap is er ietwat besloten met licht glooiende weilanden, houtwallen, lanen en bosjes en relatief hoge dichtheid aan wegen in een onregelmatig patroon. De Parck en Santacker zijn oude bewoningsplaatsen. De (fruit)boomgaarden duiden op het zavelige karakter van een stroomrug.

Een tweede stroomrug rijgt als een kralensnoer een groot aantal oude bewoningsplaatsen aan elkaar. In het zuidoosten van Park Lingezegen begint dit snoer met de buurtschap Baal, doorlopend richting De Heuvel, Bredelaar en Het Nieuwslag. De oude bewoningsplaatsen Bredelaar en Den Heuvel zijn kunstmatig opgehoogd (een wuurd). Op deze stroomrug is ook een kleinschalig en tamelijk besloten landschap ontstaan, met relatief veel kleine beplantingselementen, (fruit)boomgaarden, bebouwing met erven en een dicht, onregelmatig wegennet.

De kommen vormden het achterland van de oude bewoningsplaatsen. Ze werden vanwege de slechte ontwatering vooral gebruikt als grasland, vooral om hooi af te halen. Om de productiviteit te bevorderen werden de komgronden ontwaterd. Vanaf ongeveer de 11de eeuw ontstond buurtschapsgewijs een net van sloten in de komgronden. Kleine sloten noemde men pijpen en grotere sloten zegen. De buurschappen, hoger gelegen op de stroomruggen of rivierduinen, loosden in die tijd het water in een dalvormige laagte, waar het water plaatselijk stagneerde. Aan het einde van de Middeleeuwen is oplast van de Graaf van Gerle in deze laagte de Linge gegraven als afvoerkanaal van overtollig water. De vele dorps- en gehuchtpoldertjes konden zo hun water beter lozen. Tot na de Tweede Wereldoorlog bevonden zich ter plekke van de huidige Linge twee direct naaste elkaar gelegen weteringen geschieden door een wal (Lingewal, Weteringsewal). De Rijnwetering voerde het water uit de noordelijke helft van de Over-Betuwe af en de Waalwetering naar de zuidelijke helft.

De gehele noordrand van Park Lingezegen westelijk van de spoorlijn, maakt onderdeel uit van een doorlopend komgebied van de oude Rijn dat loopt van Doornenburg, via Rijkerswoerd (anders dan de andere oude bewoningsplaatsen niet op een stroomrug gelegen maar op een rivierduin) tot aan Schuytgraaf. Door deze kom stroomt De Linge. Namen als Het Broek (ten zuiden van Rijkerswoerd) duiden op een nat en laag gelegen gebied. Delen van het gebied zijn oorspronkelijk ingericht voor akkerbouw, getuige namen als de Kampse straat en De Kampen. De ontwatering vindt plaats door de Linge, gevoed door zegen (Bredelaarse Zeeg, Huissensche Zeeg, Rijkerswoerdse Zeeg) en sloten. Het slotenpatroon is in de omgeving van Het Broek dan ook opvallend dicht. Van oudsher is er weinig opgaande beplanting – men had immers water als perceelsgrens bij de hand waardoor heggen of houtsingels niet nodig waren. Bebouwing was en is schaars. De wegen zijn recht.

De Over-Betuwenaar heeft zich eeuwenlang aangepast aan de gesteldheid van ondergrond en water. Hierdoor is een landschap ontstaan met een ‘natuurlijke’ logica. Wonen gebeurt op de hogere gronden, waterafvoer gaat via het laagste punt, gras ligt op de nattere en zwaardere gronden, akkers en fruit bevinden zich op de lichtere en drogere gronden et cetera. Pas na 1960 is deze logica verlaten. Grootschalige wegen- en woningbouw, industrialisatie en nieuwe landbouwmethoden brengen nieuwe vormen in het landschap van de Over-Betuwe, die minder gebonden zijn aan de oorspronkelijke gesteldheid van ondergrond en water. Boven op het oude landschap ontstaat een nieuwe laag: woonwijken, bedrijventerreinen, glastuinbouw en autowegen.

Het gebied van Park Lingezegen is nog relatief gespaard gebleven van deze nieuwe laag cultuurlandschap, niettemin zijn er belangrijke elementen aanwezig. De randen rondom het park worden aangescherpt met nieuwe gebieden voor woningbouw, tuinbouw en industrie. De spoor- en autowegen trekken lijnen door het park, waardoor verschillende ‘kamers’ ontstaan. Kleine kamers zoals tussen de spoorweg en Rijksweg Noord en rondom Baal, maar ook een groot kamer tussen de Linge, A325, A15/Betuweroute en Karstraat (N839). Wellicht meer nog dan het oude cultuurlandschap, dringt dit nieuwe landschap zich op bij de beleving van de ruimte.