logo

Hoog en droog: wonen door de eeuwen heen

Een afvalkuil uit de Late IJzertijd

In totaal werden er naast aardewerk uit de Late IJzertijd, 24 fragmenten van dierlijke botten gevonden uit dezelfde periode. Er waren botten aanwezig van runderen, een paard, een schaap/geit en een hond. Puur aan de botten is het voor een botspecialist vaak niet mogelijk om het verschil te zien tussen schapen of geiten, daarom worden deze botten toegewezen aan de schaap/geit, of, zoals archeologen tijdens hun studie grappend leren: een ‘scheit’.

 Vleesconsumptie?

De botten van de runderen zijn afkomstig van de kop, de voorpoten en de voet. Ook van het paard zijn het hoofd, de voor- en achterbenen en de voet aanwezig. Van de schaap/geit zijn alleen de botten van de voet aanwezig. Van de hond is een fragment van de onderkaak aangetroffen. Het vinden van botten van de kop, poten en voeten is een teken dat deze dieren waarschijnlijk gegeten zijn: het gaat namelijk om slachtafval. Er zit maar weinig vlees op deze delen, waardoor deze botten in de afvalkuil zijn gegooid. De botten waar het vlees aan zit, zijn meegenomen en waarschijnlijk na het eten ergens anders weggegooid.

Opvallend zijn wel de kaak van de hond en de botten van het paard, omdat uit deze periode niet bekend is dat deze dieren gegeten werden. De hondenkaak is klein en kan per ongeluk bij het slachtafval terecht zijn gekomen, of daar zijn weggegooid. De fragmenten van het paard lijken wel op slachtafval, dus mogelijk is het dier tóch gegeten… omdat men misschien honger had en er geen andere dieren geslacht konden worden, of omdat het paard te oud was voor andere taken.

×